HOOFDSTUK 26 @BRK#Zodra hij enigszins uit de buurt van de oever van de rivier was, spoorde Gilan Bles aan tot een galop. Toen hij de rest van het gezelschap inhaalde, waren ze nog maar enkele honderden meters van het oude fort verwijderd. ‘Nog interessante ontwikkelingen bij de rivier?’ vroeg Arnaut toen Gilan naast hem kwam rijden. ‘Niets onverwachts. Drie van hen probeerden over te steken en die hebben we teruggedreven. Daarna moesten ze even nadenken, want toen snapten ze wel hoe kwetsbaar ze waren als ze eenmaal de rivier in gingen. Na een tijdje stuurden ze één man in wapenrusting het water in. Die moest een touw over de rivier spannen. Hij heeft de overkant gehaald, maar verder kwam hij niet.’ ‘Heb jij hem neergeschoten?’ vroeg Arnaut. Gilan keek hem hoofdschuddend aan. ‘Nou, ik ben niet naar hem toe gegaan om hem een bosje narcissen te overhandigen.’ ‘Wat denk je dat ze nu gaan doen?’ Gilan dacht even na. Hij had zich dat ook al afgevraagd tijdens het ritje van de rivier naar de groep cavaleristen en boogschutters. ‘Ik denk dat ze wachten tot vanavond,’ zei hij. ‘In het donker kunnen we ze natuurlijk niet zo makkelijk tegenhouden.’ Arnaut keek naar de zon, die in het westen al achter de boomtoppen weg aan het zakken was. ‘Dan hebben we nog minstens een uur de tijd,’ zei hij. ‘Hoe laat komt de maan vanavond op?’ ‘Ergens tussen het zesde en zevende uur, geloof ik. Dat zorgt voor nog wel wat meer vertraging, want bij maanlicht kunnen we ze natuurlijk ook terugslaan.’ ‘Als je daar nog was om ze onder vuur te nemen,’ zei Arnaut. Gilan knikte. ‘Als ik daar nog was om ze onder vuur te nemen, ja.’ Hij gebaarde naar het oude bouwwerk dat voor hen opdoemde. ‘Laten we eerst daar maar eens een kijkje nemen,’ zei hij. Het fort was gebouwd op een natuurlijke verhoging van de bodem. De heuvel was niet hoog, maar de hellingen waren tamelijk steil. Eromheen leidde een pad in een spiraal naar boven, naar een houten bouwwerk, omringd door een twee meter hoge palissade. Aan de binnenkant daarvan was ongetwijfeld een omgang aangebracht, waarvandaan bewakers de omgeving in de gaten konden houden. Op de flanken van de heuvel groeide hoog gras, waardoor het moeilijk was om er naar boven te klimmen – zeker voor mannen met wapens en een zware wapenrusting aan. Gilan zag al voor zich hoe mannen die probeerden zich een weg omhoog te vechten weggleden en struikelden. Ze zouden dan volledig bloot staan aan pijlen, speren, stenen en andere projectielen die vanaf de omloop van de balustrade op hen gericht konden worden. Arnaut gaf de manschappen opdracht onder aan de heuvel te wachten terwijl Gilan en hij het fort nader onderzochten. Hij stuurde twee cavaleristen het pad terug naar de rivier op om in de gaten te houden of het de Clan van de Rode Vos al gelukt was de oversteek te maken. Daarna stuurden Gilan en hij hun paarden het smalle, slingerende pad naar boven op. Zelfs over het pad was de beklimming steil en zwaar. De bodem bestond uit aangestampte aarde en het pad kroop als een spiraal om de heuvel omhoog. Het was een meter of drie breed, maar her en der lagen obstakels van hout en steen om de gang van eventuele aanvallers verder te vertragen. Passanten konden er uiteindelijk wel langs, maar met een groep van enige omvang kostte dat wel flink wat tijd. Bij het eerste van die obstakels kwamen ze van hun paarden af om het oude, half vermolmde stuk hout dat de doorgang blokkeerde weg te halen. ‘Moeten we hier misschien een mannetje neerzetten?’ vroeg Gilan zich af. Arnaut schudde zijn hoofd. ‘Daar hebben we de mensen niet voor. We kunnen ons beter bovenin verschansen. Dan moeten de Vossen dat hele stuk klimmen en zijn ze zo moe dat we ze makkelijk kunnen verjagen.’ Ze reden verder, langs de achterkant van de heuvel, en daarna weer terug met uitzicht op de manschappen, wat hoger nu. Ze kwamen op het eerste rondje nog twee blokkades tegen. Na nog een paar van zulke rondes bereikten ze het eind van het pad. Boven was de heuvel afgegraven en stuitten ze op een aarden wal van anderhalve meter hoogte, die helemaal om de top heen liep. Op de aarden wal stond de twee meter hoge palissade, waarin een zware poort was aangebracht. Ze stapten af. Arnaut sloeg de teugels van zijn paard om de tak van een struik. Bij hun eerste poging om tegen de aangestampte aarden wal op te kruipen gleden ze halverwege gewoon weer naar beneden. Gilan stak zijn sax in de harde ondergrond, zodat hij zich ergens aan vast kon houden. Arnaut volgde zijn voorbeeld en zo bereikten ze even later de voet van de palissade, waar zich een met gras begroeide rand van een meter of twee breed bevond. Ze bekeken de grote poort nauwkeurig. Het hout was oud en verweerd, maar de deur zag er nog stevig uit. Er was nergens iets van houtrot te zien. ‘Deugdelijk hardhout,’ zei Arnaut goedkeurend. ‘Dat kan jaren mee. Daarmee hou je de vijand wel buiten.’ ‘En ons ook,’ merkte Gilan droog op. Arnaut keek om zich heen om te zien of er nog een andere ingang was, maar hij wist zelf ook wel dat hij die niet zou vinden. Hij ging met zijn rug tegen de houten muur staan en maakte met beide handen op dijhoogte een opstapje. ‘Kom,’ zei hij. ‘Zo kom je wel boven.’ Gilan slingerde zijn boog om zijn schouders en schoof zijn koker aan zijn riem naar achteren. Daarna liep hij naar voren en zette hij zijn voet in de stijgbeugel die Arnauts handen vormden. Op het moment dat Gilan zijn knie weer strekte, duwde Arnaut hem omhoog, waardoor de Jager in één beweging al bijna boven op de palissade zat. Hij trok zichzelf verder op over de ruwe bovenkant en bleef even stil zitten toen hij precies halverwege was. Vanaf de houten rand bekeek hij de omloop aan de binnenkant van de palissade. Die zag er heel degelijk uit, en dus liet hij zich voorzichtig aan de binnenkant naar beneden zakken tot hij gehurkt op de oude planken stond. ‘Alles goed?’ riep Arnaut van de andere kant. Gilan kwam overeind en keek even grijnzend over de rand. ‘Prima,’ zei hij. ‘Ik ga naar beneden om de dwarsbalk voor de deuren weg te schuiven.’ ‘Kijk uit waar je loopt,’ waarschuwde Arnaut. ‘Het hout is vast niet overal zo stevig als in de afrastering.’ Gilan knikte en liep naar een trap aan het einde van de omloop. Die zou hem het fort zelf in helpen. Boven aan de trap stopte hij even om te zien waar hij nu eigenlijk terecht was gekomen. Het houten hekwerk omsloot een terrein dat van de ene kant naar de andere ongeveer veertig meter besloeg. Erg groot vond hij het niet, maar het was ook met een klein groepje goed te verdedigen. Op het terrein stonden drie flinke gebouwen en één hutje. Ze waren allemaal van hout en ze zagen eruit alsof ze hun beste tijd wel hadden gehad. De daken waren oorspronkelijk van riet, maar dat was allang weggerot. De gebouwen zelf waren gemaakt van een lichter soort hout dan de palissade, en flink door de tijd aangetast. Ze stonden gevaarlijk scheef en zagen eruit alsof ze met één welgemikt duwtje helemaal zouden instorten. Hij bekeek de trap eens wat beter en ging daarna stapje voor stapje naar beneden, steeds eerst even voelend of de tree wel stevig genoeg was. De hele trap bewoog een beetje mee onder zijn gewicht en twee van de treden kraakten dreigend toen hij zijn gewicht erop zette. ‘Die moeten nodig gerepareerd worden,’ mompelde hij. Toch viel de staat waarin de trap verkeerde hem al met al mee. De delen van het fort die voor verdediging dienden waren gebouwd van degelijk hardhout. Alleen voor de onderkomens van manschappen hadden ze veel minder stevig materiaal gebruikt. Hij haastte zich naar de ingang. In twee grote ijzeren beugels lag een zware houten balk, dwars over de breedte van de deuren. De beugels waren verroest, maar hielden de balk nog prima. Hij tilde de balk op en legde hem aan de kant. Daarna pakte hij de klink en trok eraan. De deur ging een klein stukje open, maar algauw begonnen de oude scharnieren piepend te protesteren en kreeg hij er verder geen beweging meer in. ‘Duwen jij!’ riep hij naar Arnaut. Hij voelde hoe de lange ridder zijn gewicht tegen de andere kant van de deur zette en begon zelf ook uit alle macht weer te trekken. Nog tegensputterend gaven de scharnieren zich gewonnen en draaide de deur half open. Daarna liep hij definitief vast. ‘Die kan wel wat olie gebruiken,’ zei hij. Arnaut stapte naar binnen en zijn ogen schoten onmiddellijk alle kanten uit. ‘Die gebouwen zijn niet meer te redden,’ zei hij, en Gilan knikte instemmend. ‘Ja, die staan op omvallen. Maar de omheining en de omloop verkeren nog in goede staat. De trap moet een beetje worden verstevigd, maar al met al houden ze het nog wel een tijdje. Het is voor ons eigenlijk een uitstekende positie.’ Arnaut zette zijn schouder tegen de deur en duwde er zo hard mogelijk tegen. Hij ging opnieuw een stukje verder open, maar liep even later weer vast. ‘Je hebt in elk geval gelijk met die olie,’ zei hij. Gilan keek hem vragend aan. ‘Maar willen we eigenlijk wel dat hij verder open gaat?’ Arnaut duwde weer tegen de deur en opnieuw won hij een paar centimeter. ‘De paarden moeten in elk geval naar binnen kunnen,’ zei hij. Gilan fronste zijn voorhoofd. Daar had hij even niet aan gedacht. Maar het riep wel meteen een vraag bij hem op. ‘Hoe krijgen we ze over die verticale aarden wal heen?’ ‘Met behulp van veel duwen, sjorren en trekken,’ legde Arnaut uit. ‘En als dat allemaal niet lukt graven we wel een doorgang voor ze.’ De kwestie was voor hem hiermee afgedaan en hij richtte zijn aandacht op de binnenkant van het fort. Hij trok zijn zwaard en liet het achteloos naast zich bungelen. Gilan keek hem verbaasd aan. ‘Ik geloof niet dat er verder iemand is, hoor,’ zei hij glimlachend. Arnaut hield zijn hoofd even scheef. ‘Je weet maar nooit,’ zei hij. Hij stopte bij het kleine gebouwtje. De muren waren scheefgezakt en het houten dak, dat ooit door riet was afgedekt, was grotendeels ingestort. De deur was vermolmd, zat vol kieren en hing schots en scheef in de scharnieren. Hij zette er een voet tegen en duwde. Er weerklonk het kraken van oud hout, met een kreunend geluid schoot de hele deur los van de post en in een wolk van stof en splinters stortte de hele voorkant in. ‘Dat was natuurlijk het commandantenverblijf,’ zei Gilan. Arnaut keek hem quasi-minachtend aan. ‘Ik red me prima in een tent,’ zei hij. ‘Wij allemaal trouwens.’ In de tien minuten daarna bekeken ze de rest van het fort – waar overigens niet veel te zien was. Er was hier overduidelijk al jaren niemand meer geweest. In een hoek was vlak bij de palissade een put geslagen, met een rond stenen muurtje eromheen en een houten deksel erop. Toen Gilan de verrotte ronde deksel eraf haalde en een steentje naar beneden gooide, hoorden ze hoe dat heel ver beneden in het water plonsde. Arnaut boog zich over het gat heen en snoof de lucht eruit op. Het rook niet naar een of andere vorm van bederf. Hij zag aan een gerafeld touwtje naast het muurtje een beker hangen. Die liet hij in de put zakken – voorzichtig, want het touw kon elk ogenblik knappen. Hij voelde dat de beker het water raakte en bewoog hem een klein beetje heen en weer, zodat hij kantelde en zich vulde. Daarna haalde hij de beker weer omhoog, rook even aan de inhoud en nam voorzichtig een slok. ‘Dat is schoon water,’ stelde hij vast. ‘Komt goed uit,’ antwoordde Gilan. Hij keek over de rand van het stenen muurtje. In het donkere wateroppervlak diep beneden dacht hij even de weerspiegeling van licht te zien. Naast de put stonden vier houten vaten. Hij voelde er even aan, maar ze waren leeg. ‘Waar zijn die voor?’ vroeg hij. Arnaut keek hem weifelend aan. ‘Tja, om water door het hele fort te kunnen verspreiden misschien,’ antwoordde hij. Hij zette de beker neer en keek nog een keer om zich heen. Wat hij zag stemde hem tevreden. ‘We slaan hier ons kamp op,’ zei hij. ‘Kom, we halen de rest op.’ Gilan glimlachte. ‘Dat mag jij doen. Ik blijf boven om de wacht te houden.’ Arnaut keek hem vragend aan. ‘De wacht houden? Je bedoelt dat je geen zin hebt dat steile pad af te gaan en daarna weer omhoog te klimmen?’ Gilan stak zijn handen verontschuldigend op. ‘Jij bent de commandant. Dan is het dus jouw voorrecht om de manschappen te mogen leiden,’ zei hij. Arnaut rolde met zijn ogen. ‘Ja, ik ben de commandant. Ik zou je dus kunnen bevelen ze op te halen terwijl ik de wacht houd.’ ‘Ach, je kent de Jagers,’ antwoordde Gilan. ‘Die zijn nooit erg goed in het opvolgen van bevelen geweest.’ Maar Arnaut hoorde het niet meer, want hij was al op weg naar de uitgang.